maandag, 18 augustus 2014 00:00

De DLP'er weg bezuinigen: plus en plus is min

DLP-aan-het-werk

 De laatste tijd ontstaat er steeds vaker een discussie over de verplichte aanwezigheid van een deskundig leidinggevend persoon (DLP-er) bij grondwerken die zijn ingedeeld in de basisklasse. Heeft de DLP-er hier nog toegevoegde waarde?

Om die vraag te beantwoorden moeten we de indeling van grondwerken in veiligheidsklassen in een iets breder perspectief bezien. De CROW 132 baseert de indeling van de veiligheidsklasse op de resultaten van bodemonderzoek. Met name voor opdrachtgevers in de kabels- en leidingenbranche is het (laten) doen van bodemonderzoek echter een kostbare zaak, gezien zij dagelijks de schop in de bodem steken.  Daarom is er gekeken naar een efficiëntere manier om de bodemkwaliteit vast te stellen. Dat heeft geresulteerd in de CROW 307 voor kabels en leidingen. Bij de CROW 307 wordt de bodemkwaliteit vastgesteld via een aantal logische stappen waarbij bronnen zoals bodemkwaliteitskaarten, bodemloket en gemeentelijke bodeminformatiesystemen worden gebruikt. Blijkt uit deze stappen dat de te ontgraven bodem verdacht is, dan moet er -om een veilige werkplek te creëren- alsnog bodemonderzoek worden uitgevoerd. Blijkt uit de bronnen dat de bodem niet verdacht is,  dan wordt het project ingedeeld in de basisklasse en vindt er geen verdere bodemonderzoek plaats. Hiermee is voor de kabels- en leidingensector een belangrijke(kosten en tijd!) efficiencyslag behaald.

Terug naar de vraag: wat is de toegevoegde waarde van een DLP-er in de basisklasse?

In de praktijk wordt bij het vaststellen van de bodemkwaliteit met behulp van CROW 307 steeds vaker gebruik gemaakt van slechts een beperkt aantal bronnen, bijvoorbeeld alleen de bodemkwaliteitskaart. De bodemkwaliteitskaart geeft over een heel gebied de ‘gemiddelde’ bodemkwaliteit aan. Zo’n gebied kan bijvoorbeeld de gehele binnenstad of industriegebied beslaan. Statistisch gezien wordt de bodemkwaliteit van een gebied als homogeen gezien en worden uitzonderingen en uitschieters eruit gefilterd. Hiermee worden lokale variaties niet of onvoldoende meegenomen en kan er onterecht een beeld ontstaan dat de bodem op de locatie schoon tot matig verontreinigd is, terwijl er lokaal wel degelijk sprake is van een ernstige verontreiniging. In toenemende mate zien we dan ook dat tijdens werkzaamheden een andere bodemkwaliteit wordt aangetroffen dan van tevoren is geïnventariseerd. De werkzaamheden worden vervolgens stilgelegd omdat men ‘vreemde geuren’ruikt. Er zijn echter ook veel verontreinigde stoffen die men minder goed waarneemt, maar die er wel degelijk zijn en een direct gevaar vormen voor de omgeving en de mensen die er wonen en werken. En daar zit nu precies de toegevoegde waarde van een DLP-er die is opgeleid om verontreinigde grond te herkennen, metingen uit te voeren en daar waar nodig de werkwijze aan te passen.

In Nederland is naar schatting de bodem op 60.000 plekken ernstig vervuild en naar verwachting duurt het nog tot 2030 voordat alle gevallen van bodemverontreiniging zijn gesaneerd. Nog lang niet alle verontreinigde plekken zijn in kaart gebracht. De kans dat men in vervuilde bodem aan het werk gaat is dus heel reëel aanwezig!

Bezuinigen op bodemonderzoek en bezuinigen op de DLP-er kan bedrijven en ook de samenleving dus duur komen te staan. En daarmee wordt plus en plus min.....

 

Hou het veilig!

 

Jeroen

 

 

 

 

 

 

Lees 2132 keer Laatst aangepast op zondag, 12 oktober 2014 15:08

De Wilde ingenieurs groep • Velserweg 16 • 1942 LD Beverwijk • T. 0251 - 22 22 62 • F. 0251 - 22 20 11 • E. Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.sitemap

Go To Top